Artikel 6. Algemene afwijkingsregels

 

6.1 Afhankelijke woonruimte - mantelzorg

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijking ten behoeve van het gebruik van een bijbehorende bouwwerk behorende bij een bedrijfswoning of woning c.q. een deel van een bedrijfsgebouw wordt gebruikt als afhankelijke woonruimte om te voorzien in een tijdelijke behoefte. Hierbij gelden ten minste de volgende voorwaarden:

  1. aangetoond wordt dat inwoning in de (bedrijfs)woning ter plaatse redelijkerwijs niet tot de mogelijkheden behoort en bewoning als afhankelijke woonruimte van een bijgebouw en/ of het deel van het bedrijfsgebouw noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg. Deze laatste eis geldt niet als er sprake is van een eerste lijn familierelatie tussen de bewoners van de woning en die van de afhankelijke woonruimte;

  2. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van in het geding zijnde belangen waaronder die va omliggende (agrarische) bedrijven en woningen en rekening wordt gehouden met de aanwezige milieuhygiënische aspecten (geur, geluid, veiligheid);

  3. de afhankelijke woonruimte wordt binnen de maatvoeringen voor bijgebouwen bij de (bedrijfs)woning c.q. bedrijfsgebouwen volgens de geldende bestemming ingepast, met een maximale oppervlakte van 75 m2;

  4. de afhankelijke woonruimte wordt bij voorkeur gerealiseerd in een bestaand aangebouwd bijgebouw, of als dat niet mogelijk is in een bestaand vrijstaand bijgebouw of bedrijfsgebouw dat op maximaal 20 meter afstand is gelegen van de achtergevel van de (bedrijf)woning; in het geval er sprake is van een daartoe nieuw te bouwen bijgebouw mag de afstand tot de achtergevel van de (bedrijfs)woning niet meer bedragen dan 10 meter;

  5. aan de afwijking wordt de regel verbonden dat binnen twee maanden nadat het gebruik als afhankelijke woonruimte is beëindigd, dit door de hoofdbewoner schriftelijk wordt gemeld bij het college van burgemeester en wethouders.

 

 

 

 

6.2 Evenementen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het gebruik ten behoeve van het houden van een evenement in het buitengebied, zoals de agrarische dagen, met dien verstande dat:

  1. het evenement maximaal één keer per jaar wordt georganiseerd;

  2. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van in het geding zijnde belangen waaronder die va omliggende (agrarische) bedrijven en woningen en rekening wordt gehouden met de aanwezige milieuhygiënische aspecten (geur, geluid, veiligheid);

  3. er geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaatsvinden;

  4. onder andere zijn toegestaan tenten, paviljoens en kramen.

 

 

6.3 10% - regeling

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijking van de in deze regels voorgeschreven minimale en/of maximale maten (hoogte, oppervlakte, inhoud etc) en percentages tot maximaal 10% van die maten en percentages, met dien verstande dat:

  1. De noodzaak vanuit een goede of doelmatige functionele, stedenbouwkundige, bouwkundige of architectonische inpassing aanwezig is;

  2. De afwijking alleen mag worden toegepast indien elders in deze regels geen andere regels voor afwijking zijn opgenomen voor afwijking van deze maten.

 

 

6.4 Kleine bouwwerken van openbaar nut

Het bevoegd gezag kan met inachtneming van het bepaalde in de dubbelbestemmingen en (gebieds)aanduidingen, een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van de bouw- en/of gebruiksregels voor het bouwen van kleine, niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut en voor religieuze doeleinden, zoals wachthuisjes, transformatorhuisjes, schakelhuisjes, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, pinautomaten, afval-glascontainers, kapellen, wegkruisen en dergelijke, met dien verstande van:

a. De oppervlakte is maximaal 20 m2;

b. De goothoogte is maximaal 3,00 m1;

c. De bouwhoogte is maximaal 4,5 m1;

d. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde is maximaal 15 m1.

 

 

 

 

6.5 Overschrijding bouwgrens

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor overschrijding van de bouwgrens met dien verstande dat:

  1. De noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering en/of perceelsinrichting aanwezig is;

  2. Er geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaatsvinden;

  3. De overschrijding niet mag leiden tot een vermindering van de gebruiksmogelijkheden van gronden voor piekberging en infiltratie;

  4. De wegbeheerder en het waterschap worden gehoord.

 

 

6.6 Geringe afwijkingen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de voorgeschreven afstand tot de bestemmingsgrens, in het geval de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteit anderszins duurzaam geborgd is en belangen van derden niet onevenredig geschaad worden.