De voor ‘Waarde – Archeologie
a
De aanvrager van een omgevingsvergunning voor
het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die betrekking heeft op de voor
‘Waarde - Archeologie
Onder het vaststellen van de archeologische waarde van een terrein wordt ook verstaan het overleggen van verleende vergunningen en/of feitelijke gegevens, waaruit kan worden opgemaakt dat de bodem ter plaatse dermate is geroerd, dat het alleszins aannemelijk is dat er geen sprake meer is van archeologische waarden die kunnen worden verstoord door de voorgenomen bouwwerkzaamheden.
b Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning indien naar zijn oordeel uit het rapport of de overlegde gegevens als bedoeld onder a genoegzaam blijkt dat:
1 er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
2 schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de bouwvergunning verbonden voorschriften.
a In de situatie als bedoeld in 23.2.1 onder b sub 2, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden:
1 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor monumenten/archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
2 de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
3 de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
b Indien het bepaalde onder a sub 3 van toepassing is, worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
Het bepaalde in de leden 23.2.1 en 23.2.2 zijn niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:
a vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
b
een bouwwerk met een bruto oppervlakte van ten
hoogste
c
een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden
dieper dan
d
een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek
is bestemd met een bouwhoogte tot
Het is verboden om op of in de voor ‘Waarde - Archeologie
a Het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
b Het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplanting waarbij de stobben worden verwijderd;
c Het ophogen en egaliseren van gronden;
d Het verlagen van het waterpeil;
e Het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
f Het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers, zwembaden en andere wateren;
g Het omzetten van gras- of akkerland in teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend worden boomteelt en graszodenteelt;
h Het afplaggen van heide- of natuurgebieden ten behoeve van natuurontwikkeling;
i
Het aanbrengen van ondergrondse transport- energie-, of telecommunicatieleidingen en de daarmee
verbandhoudende constructies, installaties of apparatuur, waarbij de breedte
van de grondwerken meer dan
j Het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen, waarbij grondroering plaatsvindt;
k Het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter-, of rijwielpaden of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen.
Het verbod als bedoeld in lid 23.3.1 is niet van toepassing indien de werkzaamheden of werken:
a
maximaal
b
een verstoringsoppervlakte
hebben van ten hoogste
c ten dienste van archeologisch onderzoek of het doen van opgravingen worden verricht, mits verricht door een ter zake deskundige;
d het gewone onderhoud en beheer betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen die voor deze gronden gelden, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, kabels en leidingen, bestratingen en beplantingen;
e reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan, of;
f mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning, kapvergunning of een ontgrondingvergunning.
a
De aanvrager van een omgevingsvergunning voor
werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 23.3.1, die betrekking heeft op de
voor ‘Waarde - Archeologie
b Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in lid 23.3.1, wint bevoegd gezag advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige.
c Het bevoegd gezag verleent de vergunning indien naar zijn oordeel uit het rapport of de overlegde gegevens als bedoeld onder a genoegzaam blijkt dat:
1 er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
2 schade door werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de aanlegvergunning verbonden voorschriften.
a In de situatie als bedoeld in lid 23.3.3 onder c sub 2, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden:
1 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
2 de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
3 de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
b Indien het bepaalde onder a sub 3 van toepassing is, worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken.