direct naar inhoud van Artikel 3
Plan: Bestemmingsplan Someren-Heide zuid
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0847.BP02009001-VS01

Artikel 3

3.1 Anti-dubbelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

3.2 Algemene bouwregels
  • 1. Geen bouwwerk of complex van bouwwerken mag worden opgericht, indien daardoor een ander bouwwerk of complex van bouwwerken met het daarbij behorende bouwperceel, het-zij niet langer zou blijven voldoen aan, hetzij in grotere mate zou gaan afwijken van het plan.
  • 2. Wat betreft de Woningwet artikel 9, lid 2 (uitsluiting aanvullende werking van de bouw-verordening) blijven de voorschriften van de bouwverordening ten aanzien van onderwer-pen van stedenbouwkundige aard in dit plangebied buiten toepassing, behoudens ten aan-zien van de volgende onderwerpen:
  • a. de richtlijnen voor het verlenen van vrijstelling van de stedenbouwkundige bepalingen;
  • b. bereikbaarheid gebouwen voor wegverkeer;
  • c. brandblusvoorzieningen;
  • d. bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten;
  • e. bouwen op de weg;
  • f. erf- en terreinafscheidingen;
  • g. bouwen nabij bovengrondse hoogspanningsleidingen en ondergrondse hoofdtransport-leidingen;
  • h. parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen.
    De bouwverordening dient te worden gelezen zoals deze luidt ten tijde van het vaststellen van dit bestemmingsplan.

3.3 Algemene gebruiksregels
3.3.1 Gebruiksverbod

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te doen of laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemming(en).

3.3.2 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  • a. gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
  • b. het gebruik van bijgebouwen bij een woning als zelfstandige woningen en als afhankelijke woonruimte.

3.4 Algemene ontheffingsregels
3.4.1 Algemene ontheffingsregel

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in de regels, ten behoeve van:

  • 1. het afwijken van de voorgeschreven minimum- en maximummaten met niet meer dan 10%, mits:
  • daarvoor in deze regels geen bijzondere ontheffingsbevoegdheden zijn opgenomen;
  • dit noodzakelijk is voor de bouwkundige dan we architectonische inpassing;
  • 2. het bouwen met een geringe mate van afwijking van de plaats en richting van de bebou-wings- en bestemmingsgrenzen indien dit noodzakelijk is in verband met afwijkingen of onnauwkeurigheden van de plankaart ten opzichte van de feitelijke situatie of in die geval-len waar een rationele verkaveling;

De onder 1 en 2 geregelde ontheffingen kunnen worden verleend indien door deze verlening belangen van derden niet onevenredig worden geschaad en de stedenbouwkundige samenhang niet onevenredig wordt aangetast.

Er zal sprake zijn van onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige samenhang als:

  • de bebouwingskarakteristiek (open, halfopen of gesloten) wordt aangetast;
  • de karakteristiek van de openbare ruimte wordt aangetast;
  • de historische of stedenbouwkundige betekenis van de bebouwing wordt aangetast

3.4.2 Ontheffing gebruisverbod
  • a. Burgemeester en wethouders verlenen ontheffing van het bepaalde in artikel 3.3.1 indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 3.3.2 onder b en toestaan dat een aangebouwd bijgebouw bij een woning wordt gebruikt als afhankelijke woonruimte, mits:
  • een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit het oogpunt van mantelzorg;
  • de afhankelijke woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen wordt in-gepast met een maximale oppervlakte van 75 m².
  • c. Burgemeester en wethouders trekken de ontheffing, verleend op grond van sub b in, indien de bij het verlenen van de ontheffing bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantel-zorg niet meer aanwezig is.

3.4.3 Procedure bij ontheffing
  • a. Op de voorbereiding van een besluit tot het verlenen van ontheffing ingevolge artikel 3.6 onder c van de Wet ruimtelijke ordening is de volgende procedure van toepassing:
    • 1. het ontwerpbesluit tot het verlenen van ontheffing ligt gedurende ten minste 4 weken in het gemeentehuis voor een ieder ter inzage;
    • 2. burgemeester en wethouders maken de terinzagelegging van het ontwerpbesluit tevoren bekend in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen, die in de gemeente worden verspreid, en voorts op de gebruikelijke wijze;
    • 3. de bekendmaking houdt in de bevoegdheid van belanghebbenden tot het naar keuze schrif-telijk of mondeling indienen van zienswijzen bij burgemeester en wethouders tegen het ontwerpbesluit gedurende de onder a. genoemde termijn;
    • 4. burgemeester en wethouders delen aan hen, die zienswijzen hebben ingediend, de beslissing daarover mede.

3.4.4 Algemene procedureregels

Op de voorbereiding van een wijziging zoals opgenomen in Artikel 2.2.6 is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing met dien verstande dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens langs elektronische weg geschiedt, dat het ontwerp-besluit met de hierbij behorende stukken tevens langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld, dat burgemeester en wethouders binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzagelegging omtrent de uitwerking of wijziging besluiten en dat de kennisgeving van het besluit tot vaststelling van de uitwerking of wijziging tevens langs elektronische weg geschiedt.