direct naar inhoud van Artikel 2
Plan: Bestemmingsplan Someren-Heide zuid
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0847.BP02009001-VS02

Artikel 2

2.1 Verkeer (V)
2.1.1 Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart als 'Verkeer' aangeduide gronden zijn bestemd voor:

  • lokale hoofdverbindingen;
  • hoofdstraat;
  • buurtontsluiting;
  • woonstraat;
  • parkeervoorzieningen,
  • ter plaatse van de aanduiding 'langzaamverkeersverbinding' voor een langzaamverkeersverbinding;
  • ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsgebied' voor een verblijfsgebied;
  • ter plaatse van de aanduiding 'waterhuishoudkundige voorzieningen' voor waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen;
  • groenvoorzieningen in de vorm van openbaar groen ter plaatse van de aanduiding 'groenvoorziening'.

alsmede voor:

  • voorzieningen voor riolering en bijbehorende randvoorzieningen;
  • niet nader op de plankaart aangeduide groenvoorzieningen;
  • speelvoorzieningen;
  • waterlopen, waterpartijen, waterberging, infiltratievoorzieningen en nutsvoorzieningen.

2.1.2 Bouwregels

De grond met de bestemming verkeer mag uitsluitend worden bebouwd met:

bouwwerken ten dienste van de constructie en verkeerstechnische uitrusting van wegen, de in-richting van het onbebouwde gebied en nutsgebouwtjes, met inachtneming van het volgende:
a. De inhoud van gebouwen mag niet meer dan 50 m³ bedragen.

b. De hoogte van gebouwen mag niet meer dan 2,7 m bedragen.

2.2 Wonen (W)
2.2.1 Bestemmingsomschrijving

De gronden die op de plankaart als 'Wonen' zijn aangeduid zijn bestemd voor:

  • a. Wonen in de vorm van:
  • bijzondere woonvormen ter plaatse van de aanduiding '[sba-w]' (specifieke bouwaanduiding);
  • aaneengesloten woningen ter plaatse van de aanduiding '[aeg]' (aaneengesloten);
  • twee-aan-een woningen ter plaatse van de aanduiding '[tae]' (twee-aan-een);
  • vrijstaande woningen ter plaatse van de aanduiding '[vrij]' (vrijstaand);
  • b. aan huis gebonden beroepen.

2.2.2 Bouwregels

2.2.2.1 Bebouwingsgrenzen

De gevellijn zoals aangeduid op de plankaart mag niet door bouwwerken worden overschreden, zulks met uitzondering van ondergeschikte onderdelen van gebouwen, welke aan de volgende kenmerken voldoen:

  • 1. de gevellijn wordt met niet meer dan 1 m naar de wegzijde overschreden;
  • 2. de breedte van een uitbouw bedraagt niet meer dan 40% van de gevel waarin de uitbouw wordt gebouwd, met een maximum breedte van 2,5 m.

2.2.2.2 Bebouwingspercentage voor hoofdgebouwen, aan- en bijgebouwen

Het bebouwingspercentage voor hoofdgebouwen, aan- en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan:

  • a. 50 voor een bouwperceel voor een vrijstaand hoofdgebouw met een perceelsoppervlakte tot en met 500 m²;
  • b. voor zover de oppervlakte van het perceel behorende bij een vrijstaande woning meer bedraagt dan 500 m² mag het onder a genoemde percentage worden vermeerderd met 10% van de overmaat;
  • c. 60 voor twee aan een woningen;
  • d. 70 voor aaneengesloten woningen.

2.2.2.3 Hoofdgebouwen

Situering

  • a. De bebouwingskarakteristiek, zoals aangegeven door de aanduiding op de plankaart moet worden aangehouden.
  • b. De voorgevel van het hoofdgebouw moet volledig worden gesitueerd in de gevellijn, danwel op een afstand van niet meer dan 3 m achter de gevellijn.

Diepte

De diepte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 10 m.

Breedte

De breedte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 10 meter, met inachtneming van hetgeen bepaald ten aanzien van de afstanden tot de zijdelingse perceelsgrens.

Goothoogte

De goothoogte, zoals aangeduid op de plankaart, dient te worden aangehouden.

Hoogte

De hoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan de maximaal toegestane goothoogte, vermeerderd met 5 m.

Afstanden tot de zijdelingse perceelsgrenzen

De afstanden van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen mogen bedragen:

  • voor aanduiding vrijstaande woningen: aan beide zijden niet minder dan 3 m;
  • voor aanduiding twee-aan-een woningen: aan één zijde niet minder dan 3 m;
  • voor aanduiding aaneengesloten woningen: eindgebouwen niet minder dan 3 m.

2.2.2.4 Aan- en bijgebouwen

Binnen de bestemming 'Wonen' mogen aan- en bijgebouwen worden gebouwd met inachtne-ming van de volgende bepalingen:

  • a. Aanbouwen mogen worden gebouwd aan de achtergevel van twee-aan-een woningen en aaneengesloten woningen, met inachtneming van de volgende bepalingen:
  • 1. De aanbouwen mogen uitsluitend in één bouwlaag worden gebouwd.
  • 2. De goothoogte mag maximaal 3 m en de bebouwingshoogte maximaal 5,5 m bedragen.
  • 3. De gezamenlijke diepte van hoofdgebouw en aanbouw mag niet meer bedragen dan 16 m.
  • 4. De afstand tot de achterste perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 5 m.
  • 5. Voor percelen waarbij de zijdelingse perceelsgrens grenst aan de bestemming 'verkeer', de afstand van de aanbouw tot zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 3 m is.

  • b. Aanbouwen mogen worden gebouwd aan de achtergevel van vrijstaande woningen, met inachtneming van de volgende bepalingen:
  • 1. De aanbouwen mogen uitsluitend in één bouwlaag worden gebouwd.
  • 2. De goothoogte mag maximaal 3 m en de bebouwingshoogte maximaal 5,5 m bedragen.
  • 3. De afstand tot de achterste perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 5 m.
  • 4. Voor percelen waarbij de zijdelingse perceelsgrens grenst aan de bestemming 'verkeer', de afstand van de aanbouw tot zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 3 m is.

  • c. Bijgebouwen mogen worden gebouwd achter en naast het hoofdgebouw tot een afstand van ten minste 3,5 m uit de voorgevel van het hoofdgebouw met dien verstande dat:
  • 1. Het gezamenlijk oppervlak van bijgebouwen op percelen:
    - kleiner dan 500 m² niet meer mag bedragen dan 50 m²;
    - van 500 m² tot en met 1.000 m² niet meer mag bedragen dan 60 m²;
    - groter dan 1.000 m² niet meer mag bedragen dan 75 m².
  • 2. De goothoogte niet meer dan 3 m en de bebouwingshoogte niet meer dan 5,5 meter mag bedragen.
  • 3. Het bebouwingspercentage zoals bedoeld in artikel 2.2.2.2 mag niet worden overschreden.
  • 4. Voor percelen waarbij de zijdelingse perceelsgrens grenst aan de bestemming 'verkeer', de afstand van het bijgebouw tot zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 3 m is.

2.2.2.5 Bijzondere woonvormen

Ter plaatse van de aanduiding '[sba-w]' op de plankaart zijn bijzondere woonvormen toegestaan, onder de volgende voorwaarden:

  • 1. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 75 m²;
  • 2. de bebouwingshoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
  • 3. de afstand tussen twee woonwagens mag niet minder bedragen dan 5 m;
  • 4. bijgebouwen zoals sanitaire units en bergingsruimten mogen worden gebouwd, mits gesitueerd achter de gevellijn, tot een totale oppervlakte van niet meer dan 50 m² per woonwagen.

2.2.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 meter bedragen, met uitzondering van terrein- en erfafscheidingen welke achter de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 2 meter hoog en voor de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1 meter hoog mogen zijn.

2.2.2.7 Carports

Buiten het onder 2.2.2.4 ten aanzien van de afstand tot de voorgevel bepaalde, mag bij iedere woning één carport worden gebouwd, waarbij moet worden voldaan aan de volgende eisen:

  • a. De lijn evenwijdig aan en op een afstand van 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag in de richting van het onbebouwde gebied niet worden overschreden.
  • b. Oppervlakte: niet meer dan 20 m².
  • c. Hoogte: niet meer dan 3 m.

2.2.3 Nadere eisen
  • 5. Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen, als bedoeld in artikel 3.6 Wro, stellen ten aanzien van de situering, de afmetingen, de vormgeving en de dakvorm van hoofd- en bijgebouwen en van bouwwerken, geen gebouw zijnde, alsmede aan de situering van in- en uitritten en het parkeren op het bouwperceel.
  • 6. De onder 1 genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met inachtneming van de bouwingsregels:
  • a. indien dit noodzakelijk is ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit en/of het steden-bouwkundig beeld, danwel indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde steden-bouwkundige en/of architectonische inpassing in de bestaande bebouwing;
  • b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aan-grenzende gronden en bouwwerken.

2.2.4 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing krachtens artikel 3.6 Wro te verlenen van:

  • 1. het bepaalde in artikel 2.2.2 mits de stedenbouwkundige samenhang niet onevenredig wordt aangetast.
    Van onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige samenhang is sprake als door een bebouwings- of gebruiksinitiatief:
  • de bebouwingskarakteristiek zoals met de aanduiding aangegeven op de plankaart wordt aangetast;
  • de karakteristiek van de openbare ruimte wordt aangetast;
  • de diversiteit (qua verschijning, functie of tijdsbeeld) en de historische of stedenbouw-kundige betekenis van de bebouwing wordt aangetast;
  • de bebouwingspercentages niet worden overschreden.
  • 2. het bepaalde in artikel 2.2.2 ten behoeve van de realisatie van patiowoningen, onder de vol-gende voorwaarden:
  • het bebouwingspercentage niet meer dan 90 % bedraagt;
  • de diepte van het hoofdgebouw niet meer dan 14 meter bedraagt.
  • 3. de maximale breedte van een woning, zoals bepaald in artikel 2.2.2.3 onder de volgende voorwaarden:
  • vrijstelling kan uitsluitend worden verleend bij vrijstaande woningen;
  • voor iedere meter dat de breedte van de woning het maximum van 10 meter overschrijdt geldt dat er aan beide zijden van de woning een vermeerdering is van de afstand van de woning tot de zijdelingse perceelsgrenzen van minimaal 0,5 meter.

2.2.5 Specifieke gebruiksregels

Binnen de bestemming 'Woongebied' is de uitoefening van aan-huisverbonden beroepen toege-staan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toe-passing zijn:

  • De activiteit mag uitsluitend plaatsvinden in het hoofdgebouw of een aangebouwd bijge-bouw.
  • De omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van het oppervlak van hoofd- en bijgebouwen.
  • Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoeften veroorzaken.
  • Detailhandel is niet toegestaan.
  • De activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner.

2.2.6 Wijzigingsbevoegdheid ex. artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening
  • 1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd op grond van en met inachtneming van het be-paalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het plan te wijzigen voor wat betreft de op de kaart aangegeven bouwaanduidingen, met dien verstande dat:
    - het aantal te bouwen woningen ongewijzigd blijft;
    - rekening gehouden wordt met de stedenbouwkundige uitgangspunten en randvoorwaar-den.
  • 2. De procedure van Artikel 3.4.4 is van toepassing.