direct naar inhoud van Artikel 3 Agrarisch - Agrarisch bedrijf
Plan: Belienberkdijk 21
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0847.BP02010005-VA01

Artikel 3 Agrarisch - Agrarisch bedrijf

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een duurzame agrarische bedrijfsuitoefening met niet meer dan één agrarisch bedrijf;
  • b. bedrijfswoningen;

met de daarbij behorende

  • 1. landschappelijke inpassing in de vorm van groenvoorzieningen met een visueel afschermende functie naar het omliggende gebied;
  • 2. tuinen en erven;
  • 3. parkeervoorzieningen;
  • 4. onder- en bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen, met in het bijzonder een infiltratievoorziening ter plaatse van de aanduiding 'waterberging'.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Bedrijfsgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van het agrarisch bedrijf gelden de volgende bepalingen:

  • a. gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht;
  • b. de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' is aangegeven;
  • c. de bouwhoogte van silo's mag niet meer bedragen dan 15 meter;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet hoger zijn dan 4,5 meter;
  • e. de afstand tot de perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 5 meter;
  • f. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder dan 20 meter bedragen;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'waterberging' mogen geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht

3.2.2 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen:

  • a. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is één bedrijfswoning toegestaan;
  • b. de goot- en bouwhoogte van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' is aangegeven;
  • c. de inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 750 m³, tenzij:
  • 1. de inhoud van de bestaande woning ten tijde van het in ontwerp ter in zage leggen van dit bestemmingsplan al meer bedraagt dan het sub 1 bepaalde. De inhoud mag dan niet meer bedragen dan de inhoud van de bestaande woning plus maximaal 10%;
  • 2. sprake is van vervangende nieuwbouw. De woning mag dan tot maximaal de bestaande inhoud worden teruggebouwd;

d. de bedrijfswoning mag uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' worden gebouwd;

e. de afstand tot de perceelsgrens mag niet minder dan 5 meter bedragen;

f. de afstand tot de as van de weg waar wordt gebouwd mag niet minder dan 15 meter bedragen;

3.2.3 Bijgebouwen bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bijgebouwen bij bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen:

  • a. bijgebouwen bij bedrijfswoningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht;
  • b. de goothoogte van bijgebouwen bij bedrijfswoningen mag niet meer dan 3 meter bedragen en de maximale bouwhoogte mag niet meer dan 4,5 meter bedragen;
  • c. de maximale oppervlakte van bijgebouwen bij bedrijfswoningen bedraagt 75 m²;
  • d. de afstand tot het naburige erf mag niet minder dan 5 meter bedragen;
  • e. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder dan 20 meter bedragen;

3.2.4 Carports en terreinafscheidingen

Voor het bouwen van carports en terreinafscheidingen gelden de volgende bepalingen:

  • a. carports mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. carports mogen uitsluitend op een afstand van meer dan 20 meter van de as van de weg worden opgericht;
  • c. per bedrijfswoning mag 1 carport worden gebouwd met een oppervlakte van maximaal 20 m², een hoogte van niet meer dan 3 meter en een afstand tot het naburige erf van niet minder dan 5 meter;
  • d. de hoogte van terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn mag niet meer bedragen dan 1 meter en achter de voorgevellijn mag deze niet meer bedragen dan 2 meter.

3.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen na het volgen van de procedure zoals beschreven in artikel 10.2nadere eisen stellen ten aanzien van de volgende bebouwingsaspecten:

  • a. de afstand tot de perceelsgrenzen, voor zover deze minder bedraagt dan 10 meter;
  • b. de afstand tot de weg waar aan wordt gebouwd;
  • c. de situering van bebouwing op een perceel;
  • d. de afmetingen, dakhelling en / of kapvorm van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Nadere eisen kunnen uitsluitend worden gesteld met het oog op de volgende belangen:

  • 1. de concentratie van bedrijfsbebouwing op het bestemmingsvlak of bouwperceel in het algemeen, en in het bijzonder van bedrijfswoningen en overige bedrijfsgebouwen, met name in het geval van herbouw van een bedrijfswoning en/of de bouw van nieuwe bedrijfsgebouwen;
  • 2. een goede landschappelijke inpassing van de bebouwing in relatie tot de omringende bestemmingen en van het totale bestemmingsvlak;
  • 3. een goede verkeerskundige inpassing ten opzichte van de weg waaraan wordt gebouwd, met name in verband met het uitzicht en de parkeerruimte op het perceel;
  • 4. doelmatig onderhoud en bereikbaarheid van waterlopen.

3.4 Ontheffing van de bouwregels
3.4.1 Afwijkende maatvoering

Burgemeester en wethouders na het volgen van de procedure zoals beschreven in artikel 10.1 ontheffing verlenen ten aanzien van afwijkende maatvoering, mits de ontheffing slechts wordt verleend voor de volgende bouwregels:

  • a. een goothoogte van bedrijfsgebouwen tot maximaal 7,5 meter;
  • b. een bouwhoogte van bedrijfsgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde tot maximaal 12,5 meter;
  • c. de bouwhoogte van bijgebouwen bij bedrijfswoningen tot maximaal 5,5 meter mits deze ondergeschikt blijven aan de woning;
  • d. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens tot minimaal 3 meter, of indien het uitbreiding van bestaande bebouwing betreft, welke reeds dichter bij de perceelsgrens is gelegen, die bestaande kleinere afstand
  • e. de afstand tot de as van de weg waar aan wordt gebouwd, tot minimaal de afstand van bestaande reeds dichter bij die weg gelegen bebouwing op hetzelfde bouwperceel.
  • f. de afwijkende maatvoering ter plaatse noodzakelijk moet zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering, een doelmatige perceelsinrichting en/ of uitbreiding van of aansluiting op aanwezige bebouwing met een reeds op deze punten afwijkende maatvoering;
  • g. verkleining van de afstand tot de weg is alleen toegestaan mits er geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaatsvinden en er voldoende parkeerruimte op het eigen erf aanwezig blijft;
  • h. de stedenbouwkundige structuur ten opzichte van omringende of direct aangrenzende bebouwing niet onevenredig mag worden aangetast;
  • i. cultuurhistorische en landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast;
  • j. er rekening dient te worden gehouden met de bereikbaarheid en de mogelijkheden voor doelmatig onderhoud langs waterlopen vanaf 4 meter van de insteek.

3.4.2 Nutsvoorzieningen

Burgemeester en wethouders na het volgen van de procedure zoals beschreven in artikel 10.1 ontheffing verlenen voor de bouw van nutsvoorzieningen , mits de ontheffing slechts wordt verleend voor de volgende bouwregels:

  • a. de oppervlakte bedraagt niet meer dan 20 m²;
  • b. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3 meter;
  • c. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 4,5 meter;
  • d. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt niet meer dan 15 meter.

3.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken , wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:

  • a. een neventak in de boomteelt, voor zover gelegen buiten de aanduiding 'boomteeltbedrijf';
  • b. een intensieve veehouderij, voor zover gelegen buiten de aanduiding 'intensieve veehouderij';
  • c. geluidszoneringsplichtige inrichtingen;
  • d. detailhandel;
  • e. een verkooppunt voor motorbrandstoffen (incl. LPG);
  • f. seksinrichtingen;
  • g. kamperen;
  • h. opslag van goederen en materialen voor de voorgevellijn.