Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Buitengebied Someren
Status: ontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.0847.BP02011002-OW01

Artikel 30 Waarde - Archeologie

 
Toelichting
De dubbel- bestemming Waarde- Archeologie is toegekend aan gronden waar rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische resten die nader aandacht vragen. Bij voorgenomen ingrepen vanaf een bepaalde diepte en oppervlakte moet onderzoek plaatsvinden om in beeld te brengen of er inderdaad sprake is van dergelijke resten. Afhankelijk van de uitkomsten van dit onderzoek kunnen burgemeester en wethouders vanwege het archeologisch belang voorschriften verbinden a
an een omgevingsvergunning voor bouwen of voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden.
Voor archeologische monumenten in de zin van de Monumentenwet hebben burgemeester en wethouders geen zeggenschap, hiervoor is de minister van VROM bevoegd gezag.

30.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Archeologie (WR–A) aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden.
De specifieke vorm van Waarde- archeologisch monument ( categorie 1) heeft betrekking op de wettelijk beschermde archeologische monumenten in de zin van de
Monumentenwet. Daarnaast worden vier categorieën ( 2 t/m 5) gebieden onderscheiden. Deze categorieën verwijzen naar de gemeentelijke archeologische beleidskaart, die als bijlage 2 is toegevoegd aan deze regels en hiervan onderdeel uitmaakt.
 
categorie
Bestemmingsplancategorie
Waarde Archeologie (WR-A)
Diepte
Bodemingreep
Oppervlakte
Bodemingreep
Onderstaande regels van toepassing?
Cat. 1
Wettelijk beschermd monument
n.v.t.
n.v.t.
Neen: aanvraag vergunning bij Rijk / Gemeente
Cat. 2
Gebied van Archeologische Waarde (WR-AW)
>0,4 m
>100 m2
Indien dieper dan 40 cm
én
groter dan 100 m2
Cat. 3
Gebied van Archeologische Waarde (WR-AW)
>0,4 m
>250 m2
Indien dieper dan 40 cm
én
groter dan 250 m2
Cat. 4
Gebied verwachtingswaarde hoog (WR-Ah)
>0,4 m
>250 m2
Indien dieper dan 40 cm
én
groter dan 250 m2
Cat. 5
Gebied verwachtingswaarde middelhoog (WR-Amh)
>0,4 m
>2500 m2
Indien dieper dan 40 cm
én
groter dan 2500 m2

Tabel 1
. Indien een bodemingreep dieper is dan 40 cm (>0,4 m)
 
én
de oppervlakte van de bodemingreep bedraagt meer dan de oppervlakte die per categorie in de tabel is weergegeven, dan zijn onderstaande regels van toepassing zijn op aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwen of voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden. Indien slechts één van beide condities zich voordoet, gelden de regels niet. Hierop wordt een uitzondering gemaakt in lid 3.1 sub b, g en h. In die gevallen is ook bij een bodemingreep minder dan 40 cm diep een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden nodig.


30.2 Bouwregels


30.2.1 Omgevingsvergunning
  1. De aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die betrekking heeft op de voor ‘Waarde- Archeologie ’ aangewezen gronden, legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld.
  2. Het bevoegd gezag verleent de vergunning indien naar zijn oordeel uit het desbetreffende rapport genoegzaam blijkt dat:
    1. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
    2. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de bouwvergunning verbonden voorschriften.

30.2.2 Voorschriften omgevingsvergunning voor het bouwen
  1. In de situatie als bedoeld in 2.1 onder b.2, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
    3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
  2. Indien het bepaalde onder a.3 van toepassing is, worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.

30.2.3 Uitzonderingen

Het bepaalde in 2.1 en 2.2 is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:
  1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  2. een bouwwerk met een bruto oppervlakte van:
    1. ten hoogste 100 m2 (bij categorie 2);
    2. ten hoogste 250 m2 (bij categorieën 3 en 4);
    3. ten hoogste 2500 m2 (bij categorie 5);
  3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm onder maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst, of
  4. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte tot 3 meter.

30.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden


30.3.1 Verbodsbepaling
Het is verboden om op of in de voor ‘Waarde- Archeologie ’ aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1, onder b, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bevoegd gezag de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren:
  1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  2. het aanbrengen van diepwortelende beplan­tingen en het rooien van diepwortelende beplanting waarbij de stobben worden verwijderd;
  3. het ophogen en egaliseren van gronden;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem.
  6. Het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers, zwembaden en andere wateren;
  7. Het omzetten van gras- of akkerland in teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend worden boomteelt en graszodenteelt;
  8. Het afplaggen van heide- of natuurgebieden ten behoeve van natuurontwikkeling;
  9. het aanbrengen van ondergrondse transport- energie-, of telecommunicatieleidingen en de daarmee verbandhoudende constructies, installaties of apparatuur, waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 50 cm bedragen;
  10. het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen, waarbij grondroering plaatsvindt;
  11. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter-, of rijwielpaden of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen.

30.3.2 Uitzonderingen
Het verbod als bedoeld in 3.1 is niet van toepassing indien de werkzaamheden of werken:
  1. maximaal 0,4 m diep reiken ten opzichte van het maaiveld, tenzij het werkzaamheden betreffen, genoemd onder 3.1, sub b, of sub g of sub h;
  2. een verstoringsoppervlakte hebben van:
    • ten hoogste 100 m2 (bij categorie 2);
    • ten hoogste 250 m2 (bij categorieën 3 en 4);
    • ten hoogste 2500 m2 (bij categorie 5)
    • ten dienste van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
    • het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, kabels en leidingen, bestratingen en beplantingen;
    • reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan, of;
    • mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

30.3.3 Rapport en toelaatbaarheid
  1. De aanvrager van een omgevingsvergunning voor werken of werkzaamheden als bedoeld in 3.1, die betrekking heeft op de voor ‘Waarde-Archeologie’ aangewezen gronden, legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld.
  2. Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in lid 1, winnen burgemeester en wethouders advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige.
  3. Het bevoegd gezag verleent de vergunning indien naar zijn oordeel uit het rapport als bedoeld onder a genoegzaam blijkt dat:
  1. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
  2. schade door werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.

30.3.4 Voorschriften omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
  1. In de situatie als bedoeld in 3.3 onder c.2, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden:
  2. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
  3. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
    1. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
    2. Indien het bepaalde onder a.3 van toepassing is, worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken.

30.4 Meerdere vergunningen

Voor zover voor de omgevingsvergunning meerdere bouwwerken, werken of werkzaamheden vergunningen worden aangevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken en kan voor dit totaal van werken en/of werkzaamheden één vergunning worden verleend.

30.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen door met betrekking tot de gronden waarop het wijzigingsbesluit betrekking heeft, de medebestemming‘Waarde- Archeologie’ van de verbeelding te verwijderen, indien:
  1. uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische Waarden aanwezig zijn of zich op een andere plaats bevinden;
  1. het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarde voorziet.