4.3 Afwijken van de bouwregels
4.3.1 Afwijkende goot- en bouwhoogte
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 4.2.2 ten behoeve van een afwijkende goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden:
-
a. de noodzaak vanuit de bedrijfsvoering is aangetoond;
-
b. de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de bedrijfsgebouwen in zijn omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast;
-
c. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 13.2 met dien verstande, dat:
-
1. de goothoogte ten hoogste 6,5 m1 mag bedragen;
-
2. de bouwhoogte ten hoogste 12 m1 mag bedragen.
4.3.2 Herbouw bedrijfswoning
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 4.2.4, ten behoeve van de herbouw van een bedrijfswoning op een andere plaats binnen het bestemmingsvlak. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden:
-
a. de nieuwe locatie ligt niet minder dan 5 m¹ van de bestemmingsgrens en niet minder dan 15 m¹ uit de as van de weg waaraan wordt gebouwd;
-
b. de bedrijfswoning wordt gebouwd ter vervanging van de bestaande bedrijfswoning;
-
c. de ontwikkelingsmogelijkheden van (niet-)agrarische bedrijven in de nabijheid van de woning mogen niet worden belemmerd;
-
d. de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de woning in zijn omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast;
-
e. met de nieuwe situering is sprake van een milieukundige en ruimtelijke kwaliteitsverbetering;
-
f. de sloop van de oorspronkelijke bedrijfswoning is duurzaam verzekerd;
-
g. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 13.2.
4.3.3 Afstand bestemmingsgrens
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 4.2, ten behoeve van de bouw van bouwwerken op een kortere afstand dan 5 m1 tot de bestemmingsgrens. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden:
-
a. de ontwikkelingsmogelijkheden van (niet-)agrarische bedrijven in de nabijheid mogen niet worden belemmerd;
-
b. de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de bouwwerken in zijn omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast;
-
c. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering;
-
d. de groene erfinrichting, landschappelijke inpassing is duurzaam geborgd;
-
e. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 13.2.
4.3.4 Torensilo
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 4.2.3 onder b, ten behoeve van de bouw van torensilo's hoger dan 15 m¹. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden:
-
a. de bouwhoogte mag maximaal 25 m1 zijn;
-
b. er moet sprake zijn van een noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling. Dit moet worden aangetoond door middel van een advies van de AAB;
-
c. de landschappelijke of andere waarden van de omliggende gronden mogen niet onevenredig worden aangetast;
-
d. de groene erfinrichting, landschappelijke inpassing is duurzaam geborgd;
-
e. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 13.2;
-
f. de silo's worden geïntegreerd in de bedrijfsbebouwing;
-
g. de silo's dienen aan de achterkant van de bedrijfsbebouwing te worden gerealiseerd. Indien de doelmatigheid van de bedrijfsvoering dit niet toestaat, dienen de silo's zover mogelijk van de as van de weg geplaatst te worden, maar minimaal 30 m¹ van de as van de weg. De doelmatigheid dient aangetoond te worden door middel van een advies van de AAB.
4.3.5 Covergistinginstallatie
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 4.2, ten behoeve van de bouw van een covergistingsinstallatie. Hierbij gelden de volgende randvoorwaarden:
-
a. uitsluitend als een nevenactiviteit wordt uitgeoefend;
-
b. de capaciteit maximaal 25.000 ton is;
-
c. minimaal 51 procent van de te verwerken mest en andere producten afkomstig is van het ter plaatse uitgeoefende agrarisch bedrijf;
-
d. de groene erfinrichting, landschappelijke inpassing is duurzaam geborgd;
-
e. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 13.2.
4.3.6 Silo's en luchtwassers
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 4.2.3, ten behoeve van de bouw van bouwwerken als silo's (niet zijnde torensilo's) of luchtwassers op een kleinere afstand dan 5 m¹ tot de bestemmingsgrens. Hierbij gelden de volgende randvoorwoorden:
-
a. de noodzaak vanuit de bedrijfsvoering is aangetoond;
-
b. de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 3 m1;
-
c. de groene erfinrichting, landschappelijke inpassing, is duurzaam geborgd;
-
d. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 13.2.
4.3.7 Terreinafscheidingen
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van artikel 4.2 met betrekking tot de bouwhoogte van terreinafscheidingen tot maximaal 2,5 m1. Hierbij gelden tenminste de volgende randvoorwaarden:
-
a. de terreinafscheiding is noodzakelijk ten dienste van de in artikel 4.1 genoemde bestemming;
-
b. aangetoond is dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van de omliggende waarden en functies, hetgeen onder andere betekent dat de terreinafscheiding passend is in het landschap;
-
c. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 13.2.
4.4 Specifieke gebruiksregels
4.4.1 Strijdig gebruik
Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het in gebruik nemen of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor een doel of op een wijze, die in strijd is met de in dit plan daaraan gegeven bestemming en/of:
-
a. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens voor erotische dienstverlening;
-
b. het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van opslag, stort of lozing, tenzij expliciet toegestaan in de planregels;
-
c. het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van handel of detailhandel of bedrijf , tenzij expliciet toegestaan in de planregels;
-
d. het gebruik van gronden en/of opstallen voor dag- of verblijfsrecreatie;
-
e. intensieve veehouderij, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij';
-
f. uitbreiding, hervestiging en omschakeling naar een intensieve geiten- of schapenhouderij;
-
g. uitbreiding, hervestiging en omschakeling naar een pelsdierhouderij;
-
h. ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' hervestiging of omschakeling naar intensieve veehouderij;
-
i. ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone-verwevingsgebied' omschakeling naar intensieve veehouderij;
-
j. het gebruik van gebouwen anders dan de bedrijfswoning voor bewoning;
-
k. het binnen gebouwen meer dan één bouwlaag gebruiken voor het houden van dieren. Dit geldt niet voor volière- en scharrelstallen voor legkippen. Hier mogen maximaal twee lagen worden gebruikt om de dieren te huisvesten;
-
l. het gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel waarbij een toename plaatsvindt van de stikstofdepositie op nabij gelegen kwetsbare gebieden.
4.4.2 landschappelijke inpassing
-
a. De landschappelijke inpassing van het bouwvlak moet worden aangelegd en in stand worden gehouden voordat nieuw gebouwde stallen en voorzieningen in gebruik worden genomen;
-
b. de landschappelijke inpassing wordt aangelegd conform het inrichtingsplan en dient ook in stand te worden gehouden;
-
c. onder 'inrichtingsplan' wordt in deze regels verstaan "paragraaf 4.11 uit de toelichting bij deze regels, Crijns Rentmeesters, 1 maart 2013".
4.4.3 Aan huis verbonden beroep
De uitoefening van aan huis verbonden beroepen is toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:
-
a. de omvang van de beroepsactiviteiten mag niet meer bedragen dan 30% van de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing bij een bedrijfswoning tot een maximum van 150 m²;
-
b. de beroepsactiviteit wordt uitgeoefend door een van de bewoners;
-
c. de beroepsactiviteit mag zowel in de bedrijfswoning als in een bijbehorend bouwwerk worden uitgeoefend;
-
d. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken;
-
e. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak;
-
f. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden;
-
g. detailhandel is niet toegestaan;
-
h. reclameaanduidingen dienen beperkt te blijven tot een bescheiden naamsaanduiding.
4.4.4 Huisvesting tijdelijke werknemers
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 4.4.1, ten behoeve van de structurele of tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers in een bedrijfswoning, in bestaande of direct vergunbare bedrijfsgebouwen of ten behoeve van alleen tijdelijke huisvesting in woonunits, (sta-)caravans of vergelijkbare onderkomens. Hierbij gelden de volgende randvoorwaarden:
-
a. deze huisvesting dient noodzakelijk te zijn uit een oogpunt van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering vanuit het oogpunt van de structurele of tijdelijke grote arbeidsbehoefte in het betreffende agrarisch bedrijf, waarover advies gevraagd kan worden aan de AAB;
-
b. de huisvesting mag uitsluitend werknemers betreffen, die alleen binnen het bedrijf, waar ze gehuisvest zijn, werkzaamheden verrichten;
-
c. bij huisvesting in een woning dient per persoon 12 m2 woonoppervlak beschikbaar te zijn en mogen maximaal 20 personen per locatie worden gehuisvest;
-
d. bij huisvesting in een bedrijfsgebouw dient per persoon 10 m2 beschikbaar te zijn;
-
e. huisvesting in woonunits, (sta-) caravans of vergelijkbare onderkomens is alleen toegestaan als het gaat om een aantoonbaar tijdelijke oplossing gedurende niet meer dan 6 maanden per kalenderjaar;
-
f. bij tijdelijke huisvesting in woonunits, (sta-) caravans of vergelijkbare onderkomens deze na afloop van de termijn zoals bepaald onder e worden verwijderd;
-
g. per woonunit van 20 m² mogen maximaal vier personen worden gehuisvest, dit is exclusief een minimum van gemeenschappelijke leef- en woonruimte van 5 m² per persoon;
-
h. de bouwhoogte van een woonunit mag niet meer bedragen dan 3 m¹;
-
i. de onder e. genoemde verblijven moeten worden geplaatst binnen het agrarische bestemmingsvlak;
-
j. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 13.2;
-
k. per drie huisvestingsplaatsen moet minimaal 1 parkeerplaats binnen het bestemmingsvlak beschikbaar zijn. Het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen wordt naar boven afgerond.
Aan de omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden dat:
-
l. deze wordt ingetrokken indien de daaraan ten grondslag liggende tijdelijk grote arbeidsbehoefte niet meer aanwezig is;
-
m. binnen twee maanden nadat het gebruik als tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers is beëindigd, dit door de bedrijfsvoerder schriftelijk wordt gemeld bij het college van burgemeester en wethouders;
-
n. na beëindiging van het gebruik als tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers alles in de originele staat wordt teruggebracht.
4.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.5.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de in 4.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden erfbeplanting te verwijderen waarvan de aanleg in het kader van een vergunningverlening verplicht is gesteld.
4.5.2 Uitzonderingen
Een omgevingsvergunning als hiervoor aangegeven is niet vereist voor:
-
a. werken of werkzaamheden die vallen onder het normale onderhoud en beheer van de gronden overeenkomstig de bestemming dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
-
b. werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn dan wel op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, nog mogen worden uitgevoerd op basis van een eerder verleende vergunning.
4.5.3 Toelaatbaarheid
Deze werken en/of werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar indien zij verband houden met de doeleinden, die aan de bestemming zijn toegekend en door het uitvoeren van deze werken of werkzaamheden noch direct noch indirect onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en kwaliteiten van de desbetreffende gronden en voor zover de mogelijkheden voor herstel niet (onevenredig) worden verkleind zoals omschreven in de (dubbel)bestemming met eventuele aanduiding, en in het beeldkwaliteitplan.