direct naar inhoud van Artikel 3 Wonen
Plan: Dorpsstraat 69 - Keizerstraat 76-78
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0847.BP02010004-VS01

Artikel 3 Wonen

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. woondoeleinden;
  • b. aan huis gebonden beroepen als ondergeschikte functie bij woondoeleinden.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen
  • a. Voor het bouwen van woningen en bijbehorende aangebouwen, bijgebouwen en overkappingen, geldt dat het bebouwingspercentage van het bouwperceel niet meer mag bedragen dan:
  • 1. vrijstaande woningen: 50 procent;
  • 2. twee-aaneen woningen: 60 procent;
  • b. Het op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande bebouwingspercentage dat meer bedraagt dan onder a is voorgeschreven, mag als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden.

3.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. ter plaatse van de aanduiding:
  • 1. vrijstaand;
  • 2. twee-aaneen;

dient het aangegeven bebouwingstype te worden aangehouden.

  • b. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • c. nieuwe woningen dienen te worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'maximaal aantal wooneenheden', waarbij het aangegeven maximaal aantal wooneenheden dient te worden aangehouden.;
  • d. de voorgevel van een hoofdgebouw moet worden gesitueerd in de voorgevelrooilijn, dan wel op een afstand van niet meer dan 3 meter daar achter;
  • e. de diepte van een vrijstaande woning mag niet meer bedragen dan 15 meter;
  • f. de diepte van een twee-aaneen gebouwde woning mag niet meer bedragen dan 10 meter;
  • g. de breedte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 10 meter, met inachtname van het bepaalde onder i, en behoudens de uitzondering als omschreven onder h;
  • h. een vrijstaande woning mag breder worden gebouwd dan 10 meter mits, voor iedere meter dat de breedte van de woning het maximum van 10 meter overschrijdt geldt dat er aan beide zijden van de woning een vermeerdering plaatsvindt van de afstand van de woning tot de zijdelingse perceelgrenzen van minimaal 0,5 meter ten opzichte van het bepaalde onder l;
  • i. de goothoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)';
  • j. de bouwhoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)';
  • k. hoofdgebouwen dienen voorzien te worden van een dakhelling van minimaal 40 graden en maximaal 60 graden;
  • l. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen mag ter plaatse van de aanduiding;
  • 1. 'vrijstaand' aan beide zijden niet minder bedragen dan 3 meter;
  • 2. 'twee-aaneen' aan één zijde niet minder bedragen dan 3 meter.
  • m. De op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande maten die meer bedragen dan onder d t/m k is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden.
  • n. De op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande maten die minder bedragen dan onder k en l is voorgeschreven, mogen als tenminste toelaatbaar worden aangehouden.

3.2.3 Aanbouwen en bijgebouwen

Binnen de bestemming 'Wonen' mogen aanbouwen en bijgebouwen worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. aanbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. aanbouwen mogen uitsluitend aan de achtergevel van een vrijstaande woning worden gebouwd, met inachtneming van de volgende bepalingen:
  • 1. de aanbouwen worden uitsluitend in één bouwlaag gebouwd;
  • 2. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3 meter en de bouwhoogte niet meer dan 5,5 meter;
  • 3. de afstand van de aanbouw tot de achterste perceelsgrens bedraagt niet minder dan 5 meter;
  • c. Aanbouwen aan de achtergevel van een twee-aaneenwoning mogen worden gebouwd, met inachtneming van de volgende bepalingen:
  • 1. de aanbouwen mogen uitsluitend in één bouwlaag worden gebouwd;
  • 2. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3 meter en de bouwhoogte niet meer dan 5,5 meter;
  • 3. de gezamenlijke diepte van hoofdgebouw en aanbouw bedraagt niet meer dan 16 meter;
  • 4. de afstand van de aanbouw tot de achterste perceelsgrens bedraagt niet minder dan 5 meter;
  • d. Bijgebouwen bij woningen mogen worden gebouwd achter en naast het hoofdgebouw op een afstand van tenminste 3,5 meter uit de voorgevel van het hoofdgebouw met dien verstande dat:
  • 1. het gezamenlijk oppervlak van bijgebouwen op bouwpercelen:
  • kleiner dan 500 m2 niet meer mag bedragen dan 50 m2;
  • van 500 m2 tot en met 1000 vierkante meter niet meer mag bedragen dan 60 m2;
  • groter dan 1000 m2 niet meer mag bedragen dan 75 m2;
  • 2. de goothoogte niet meer dan 3 meter en de bouwhoogte niet meer dan 5,5 meter mag bedragen;
  • 3. bij vrijstaande woningen slechts aan één zijde naast het hoofdgebouw bijgebouwen mogen worden gebouwd. Indien aan één kant van het hoofdgebouw al een overkapping aanwezig is mag uitsluitend aan deze zijde een bijgebouw naast de woning worden gerealiseerd;
  • e. In afwijking van het bepaalde onder a mogen ondergeschikte uitbouwen en luifels voor de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd, welke aan de volgende kenmerken voldoen:
  • 1. de bouwgrens wordt met niet meer dan 1 meter naar de wegzijde overschreden;
  • 2. de breedte van een uitbouw en/of luifel mag niet meer bedragen dan 40% van de gevel waarin de uitbouw en/of luifel wordt gebouwd, met een maximum van 2,5 meter;
  • 3. de bouwhoogte van de uitbouw en/of luifel tot de straat mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw;
  • 4. de afstand van de uitbouw en/of luifel tot de straat mag niet minder bedragen dan 2 meter;
  • f. De op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande maten die meer bedragen dan onder b t/m e is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;
  • g. de op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande maten die minder bedragen dan onder b t/m e is voor geschreven, mogen als tenminste toelaatbaar worden aangehouden.

3.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen de bestemming 'Wonen' mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 meter;
  • b. de bouwhoogte van constructies voor het leiden van bomen mag niet meer bedragen dan 5 meter;
  • c. de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen achter de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 1 meter;
  • d. de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 1 meter;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  • f. overkappingen zijn niet toegestaan voor de voorgevellijn.

3.2.5 Overkappingen

Bij iedere woning mogen overkappingen worden gebouwd waarbij voldaan moet worden aan de volgende eisen:

  • a. de lijn evenwijdig aan en op een afstand van 1 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw mag in de richting van de weg niet worden overschreden;
  • b. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 20 m2;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  • d. overkappingen aan de achtergevel van het hoofdgebouw (terrasoverkapping) dienen gerealiseerd te worden binnen de toegestane bouwdiepte van het woningtype (inclusief aanbouwen) en met inachtname van het geldende bebouwingspercentage en de minimale afstand tot de achterste perceelgrens van 6 meter en een bouwhoogte van maximaal 3 meter;
  • e. bij vrijstaande woningen mag slechts aan één zijde, naast het hoofdgebouw een overkapping gerealiseerd worden. Indien aan één kant van het hoofdgebouw al een bijgebouw aanwezig is, mag uitsluitend aan deze zijde een overkapping naast de woning worden gerealiseerd.

3.3 Nadere eisen
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering, de afmetingen, de vormgeving en de dakvorm van hoofd- en bijgebouwen en van bouwwerken, geen gebouw zijnde, alsmede aan de situering van in- en uitritten en het parkeren op het bouwperceel;
  • b. de onder a genoemde eisen mogen slechts worden gesteld met inachtneming van de volgende bouwregels:
  • 1. indien dit noodzakelijk is ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit en/of het stedenbouwkundig beeld, dan wel indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige en/of architectonische inpassing in de bestaande bebouwing;
  • 2. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

3.4 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om ontheffing te verlenen van:

  • a. de maximale bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen voor de voorgevel zoals bepaald in 3.2.4en een bouwhoogte van 2 meter toestaan in het geval van hoeksituaties.

3.5 Specifieke gebruiksregels
  • a. Binnen de bestemming 'Wonen' is de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:
  • 1. de activiteit mag uitsluitend plaatvinden in het hoofdgebouw of een aangebouwd bijgebouw;
  • 2. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40 procent van de gezamenlijke oppervlakte van de begane grondoppervlak van het hoofdgebouw, met een maximum van 60 vierkante meter;
  • 3. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoeften veroorzaken;
  • 4. detailhandel is niet toegestaan;
  • 5. de activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner