direct naar inhoud van Artikel 5 Wonen
Plan: Ruiter 17 Someren
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0847.BP02010022-OW01

Artikel 5 Wonen

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroepen een en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en erven.

5.2 Bouwregels

5.2.1 Gebouwen

Uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken ten dienste van de bestemming met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. per op de verbeelding aangeduid bestemmingsvlak is maximaal één vrijstaande woning toegestaan;
  • b. de inhoud van de woning, exclusief aaneengebouwde bijgebouwen mag maximaal 900 m³ bedragen;
  • c. de goothoogte van de woning bedraagt maximaal 5 meter;
  • d. de nokhoogte van de woning bedraagt maximaal 9 meter;
  • e. de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande en aaneengebouwde bijgebouwen bedraagt maximaal 150 m² per woning;
  • f. de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen bedraagt niet meer dan 4 meter;
  • g. de nokhoogte van vrijstaande bijgebouwen bedraagt niet meer dan 8 meter;
  • h. de nokhoogte van aaneengebouwde bijgebouwen bedraagt minimaal 1 meter minder dan de gehanteerde nokhoogte voor het hoofdgebouw;
  • i. de afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de voorgevel (en het verlengde daarvan) van het hoofdgebouw bedraagt minimaal 5 meter;
  • j. de afstand van vrijstaande bijgebouwen tot het hoofdgebouw bedraagt minimaal 1,5 meter.

5.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. de hoogte van erfafscheidingen bedraagt voor de voorgevelrooilijn maximaal 1 meter hoog en achter de voorgevellijn maximaal 2 meter hoog;
  • b. de oppervlakte van carports en overkappingen bedraagt maximaal 20 m²;
  • c. de hoogte van carports en overkappingen bedraagt maximaal 3 meter;
  • d. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 6 meter.

5.3 Specifieke gebruiksregels

5.3.1 Aan huis verbonden beroep

De uitoefening van een aan huis verbonden beroep als bedoeld in 5.1 is toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit met niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woonbebouwing tot een maximum van 150 m²;
  • b. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van verkeer;
  • c. parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden;
  • d. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan huis verbonden beroep;
  • e. de activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving;
  • f. de activiteit wordt uitgeoefend door de hoofdbewoner.

5.3.2 Verboden gebruik

Als met de bestemming strijdig gebruik geldt in ieder geval het gebruik van gronden en/of opstallen voor:

  • a. het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- en verwerken van producten;
  • b. detailhandel anders dan omschreven in artikel 5.3.1 onder d;
  • c. verblijfsrecreatie;
  • d. seksinrichtingen;
  • e. gebruik van vrijstaande bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte.

5.4 Afwijken van de gebruiksregels

5.4.1 Afwijken ten behoeve van mantelzorg

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.3.2 onder e en toestaan dat een bijgebouw bij een woning wordt gebruikt als afhankelijke woonruimte, mits:

  • a. een degelijke bewoning noodzakelijk is uit een oogpunt van mantelzorg;
  • b. het gebruik als afhankelijke woonruimte uitsluitend plaatsvindt in en deel van het hoofdgebouw, of in een vrijstaand dan wel aaneengebouwd bijgebouw;
  • c. de oppervlakte die wordt gebruikt als afhankelijke woonruimte, niet meer bedraagt dan de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen tot een maximum van 150 m²;
  • d. de verlening van de omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in artikel 5.1 omschreven doeleinden;

het bevoegd gezag is gevoegd de omgevingsvergunning voor het gebruik van een bijgebouw als afhankelijke woonruimte in te trekken, indien niet (meer) wordt voldaan aan bovenstaande voorwaarden.